januari 2014
februari 2014
maart 2014
april 2014
mei 2014
juni 2014
juli 2014
augustus 2014
september 2014
oktober 2014
november 2014
december 2014

Verschillende prognoses basisschoolpopulatie PBL en O+S

12 september 2014

Volgens de prognose van het PBL zal het aantal kinderen tussen 2012 en 2025 toenemen met 17%, terwijl de prognose van O+S een toename beschrijft van 7%. 

 Op 11 september 2014 verscheen een rapport van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) waarin wordt gesproken over een groei van 17% van alle Amsterdamse kinderen van 4 tot en met 11 jaar tussen 2012 en 2025, een groei van 11.000 kinderen.

Eerder, op 27 augustus 2014, heeft O+S een prognose van het aantal basisschoolleerlingen uitgebracht die een stijging van 7% voorziet (een groei van 4.339 basisschoolleerlingen) tussen schooljaren 2013/’14 en 2024/’25.

Voor de verschillen tussen beide prognoses zijn twee hoofdredenen: de uitgangssituatie in het gebruikte model en de aannames over het toekomstig verloop van de bevolking.

Verschillende uitgangspunten

O+S heeft een prognose gemaakt van de Amsterdamse basisschoolleerlingen. De ongeveer 8% van de 4 tot en met 11 jarigen die naar het speciaal onderwijs gaan of buiten de stad naar de basisschool gaan, zijn hierin niet meegenomen. Daardoor vallen de aantallen in de PBL prognose hoger uit. Bovendien heeft het PBL de groei berekend met 2012 als startjaar, terwijl O+S rekent vanaf 2013. 

Als voor beide factoren wordt gecorrigeerd loopt het verschil tussen de PBL- en O+S- prognose terug van ongeveer 7.000 naar ongeveer 4.700 kinderen in 2025.

Vervolgens speelt ook nog een verschil in startwaarde een rol. PBL rekent met 64.700 kinderen in 2014, O+S met 64.300 kinderen in 2014. In werkelijkheid telde de gemeentelijke basisadministratie op 1 januari 2014 64.251 4 tot en met 11 jarigen in Amsterdam.

Verschil in aannames

Het maximale verschil van 4.700 kinderen in 2025 ontstaat als gevolg van het verschil in startwaarde maar vooral ook als gevolg van verschillende aannames over woningproductie en woningvoorkeur van huishoudens in de beide prognoses. Zo vertrekken volgens de O+S prognose meer kinderen naar de regio dan in de PBL prognose. Dat hangt samen met verschillen in verwachte nieuwbouw productie en krapte op de woningmarkt.

O+S rekent ermee dat er tot 2020 veel inwoning blijft bij een lage leegstand, terwijl vanaf 2020 door het aantrekken van de woningbouw, met name in de regio, weer meer Amsterdammers de stad zullen verlaten. PBL rekent met een hogere woningproductie in de stad en ziet als gevolg daarvan de groep 4 tot en met 11 jarigen dan ook na 2020 doorgroeien.

Een prognose is een beschrijving van de meest waarschijnlijke ontwikkeling van de bevolking in de toekomst, gebaseerd op de trends in het verleden. PBL leidt zijn regionale prognose af uit de landelijke prognose met als doel bevolkingsontwikkelingen tussen regio’s te vergelijken. O+S maakt jaarlijks een bevolkingsprognose met als doel het gemeentelijk beleid te ondersteunen. Bij het maken van een prognose moeten aannames gedaan worden. Bovenstaande laat zien dat deze aannames, naast verschillen in vertrekpunt, tot verschillende uitkomsten leiden.