Per Huishouden
 



Dit dashboard presenteert de belangrijkste cijfers over armoede in Amsterdam. De armoedegrens is in de hoofdstad 120% van het wettelijk sociaal minimum (WSM). In 2016 viel een huishouden onder de Amsterdamse armoedegrens als het van € 1.685 of minder per maand moest rondkomen. In 2016 leefde 22,1% van alle Amsterdamse huishoudens van een inkomen tot deze armoedegrens. Dat aandeel is licht gedaald vergeleken met 2015 en is volgens voorlopige cijfers in 2017 verder gedaald.

De gemeente Amsterdam ondersteunt minima-huishoudens (met een inkomen tot 120% WSM en weinig vermogen) door hen zo veel mogelijk te activeren om de weg naar werk (terug) te vinden, maar ook door hun maatschappelijke participatie te stimuleren en hun inkomenspositie te versterken. De jaarlijkse Amsterdamse armoedemonitor is een belangrijk instrument om armoede in de stad in kaart te brengen en het helpt bij het signaleren van nieuwe risico’s. In dit dashboard worden de belangrijkste uitkomsten uitgelicht. [klik voor volledig rapport]

Ontwikkeling
 
 



Per Persoon
 



We leggen hier de focus op minderjarige kinderen die opgroeien in een huishouden met een laag inkomen. In Amsterdam zijn dat er bijna twee keer zo veel als landelijk. Wel zien we dat het percentage kinderen in huishoudens met een laag inkomen in Amsterdam sterker daalt dan in de andere grote steden tussen 2011 en 2016.

Voor Amsterdam zijn er ook gegevens over het vermogen en kan de groep minima in kaart worden gebracht. Zo blijkt dat 19,2% van de minderjarige kinderen in Amsterdam opgroeit in een minimahuishouden. In Noord en Zuidoost is dit aandeel hoger. Zo groeit 30% de kinderen in Zuidoost op in een minimahuishouden.

Kinderen in armoede
 
 



Kinderen in Amsterdam
 
 
 


Kinderen in armoede per wijk






Per Huishouden
 



Amsterdam heeft relatief veel huishoudens met een laag inkomen: bijna acht procentpunt meer dan het landelijk aandeel. Alleen Rotterdam heeft relatief meer huishoudens met een laag inkomen.

Kijken we binnen Amsterdam naar de verdeling van minimahuishoudens, dan zien we dat er relatief veel minimahuishoudens zijn in Zuidoost en Noord. Ook binnen stadsdelen zijn er verschillen tussen wijken. In een aantal wijken wonen relatief veel minima-huishoudens: de Van Galenbuurt in West, Bijlmer-Centrum in Zuidoost en Volewijck in Noord.

Nederland: 14,2% laag inkomen
 
 



Amsterdam: 17,9% minima
 
 
 


Huishoudens laag inkomen en weinig vermogen per wijk






Per Persoon
 



Onder jongeren en onder 65-plussers is het aandeel dat in een minimahuishoudens leeft hoger dan gemiddeld. Dit zijn groepen die weinig invloed hebben op hun eigen inkomen.

Op persoonsniveau kan ook worden gekeken naar herkomst, geslacht en naar de dynamiek van in- en uitstroom. Bij de gegevens over deze kenmerken houden wij ook rekening met het vermogen: het gaat met andere woorden over personen in minima-huishoudens. Bij instroom gaat het om personen die in 2015 niet in een minimahuishouden zaten, maar in 2016 wel. We geven in de figuur aan wat hun situatie was in 2015. Bij uitstroom gaat het om personen die in 2015 in een minimahuishouden zaten, maar in 2016 niet meer. Hier geven we aan wat de hoogte is van het nieuwe inkomen in 2016. Veel personen die uitstromen gaan er wat betreft het inkomen weinig op vooruit. En andersom stromen er veel personen in die voorheen een inkomen hadden net boven de armoedegrens.

Armoede per leeftijdsgroep
 
 



Herkomst



Leeftijd



Geslacht



In- en uitstroom
 


Per Huishouden
 



Een belangrijk gegeven bij het in kaart brengen van armoede in de stad is de bron van het inkomen. We maken hier het onderscheid tussen inkomen uit werk (eigen onderneming of loondienst), uitkering (bijstand en andere uitkeringen) en pensioen. Om te bepalen wat de voornaamste bron van inkomen van een huishouden is, worden alle inkomens van alle leden van het huishouden samengenomen. De bron waaruit een huishouden het meeste inkomen ontvangt wordt beschouwd als de belangrijkste bron van inkomen.

Inkomstenbron



Samenstelling



Langdurig



Minima per inkomstenbron
 
 


Per Huishouden
 



Dit dashboard laat voor vier minimaregelingen zien welk percentage van de doelgroep de regeling heeft ontvangen. Te zien is bijvoorbeeld dat van alle Amsterdammers die in 2017 recht hadden op een Stadspas, 68% deze ook daadwerkelijk had ontvangen.

Klikken we vervolgens op “Stadspas” dan zien we dat 86% van de huishoudens met een uitkering een Stadspas had en van de huishoudens met inkomen uit werk 19%.

Bereik per regeling
 
 



Oudere minima kunnen een gratis abonnement ontvangen voor vervoer met het GVB.


Minima met schoolgaande kinderen komen in aanmerking voor de Scholierenvergoeding. Ouders kunnen met deze regeling kosten voor leermiddelen en sport- en cultuurdeelname declareren, bijvoorbeeld huiswerkbegeleiding, theaterbezoek of dansles.

Uitkering


Werk


Pensioen



De gemeente Amsterdam biedt alle Amsterdamse minima de mogelijkheid om een collectieve zorgverzekering af te sluiten. De collectieve zorgverzekering bestaat uit een basisverzekering en een aanvullend pakket.

Uitkering


Werk


Pensioen



Met de Stadspas krijgen minima korting op culturele, sportieve en recreatieve activiteiten.

Uitkering


Werk


Pensioen


Bereik per wijk






Informatie
 


De gemeente Amsterdam gebruikt als inkomensgrens voor een laag inkomen 120% van het wettelijk sociaal minimum (WSM). Het WSM wordt jaarlijks vastgesteld door de Tweede Kamer en de hoogte van de bijstandsuitkering en de AOW worden daaraan gekoppeld. Dat betekent dat huishoudens die bijstand of uitsluitend AOW ontvangen automatisch tot de groep behoren met een laag inkomen.

De hoogte van het WSM en van de Amsterdamse lage-inkomensgrens vergelijken we hier met het gemiddeld besteedbaar inkomen van Amsterdamse huishoudens (exclusief studentenhuishoudens). De meest recente gegevens hierover zijn van 2016. Om vast te stellen of iemand een laag inkomen heeft wordt naar het inkomen van het huishouden gekeken. De reden hiervoor is dat het toekennen van uitkeringen en de hoogte daarvan afhankelijk is van de samenstelling van het huishouden. Ook het recht op armoedevoorzieningen hangt af van het huishoudinkomen.

Informatie
 


De meest recente cijfers over het aandeel huishoudens met een laag inkomen zijn van 2016. Toen had 22,1% van de Amsterdamse huishoudens een laag inkomen. Volgens voorlopige cijfers is dit percentage in 2017 gedaald.

Informatie
 


Het huishoudinkomen is leidend om vast te stellen wie een laag inkomen heeft (zie knop ‘huishouden)’. Personen in huishoudens waarvan het inkomen op of onder de armoedegrens ligt (120% van het wettelijk sociaal minimum) behoren tot de populatie met een laag inkomen. De bedragen die hier staan hebben betrekking op een eenpersoonshuishouden. We vergelijken dit hier met het gemiddeld persoonlijk inkomen van Amsterdammers in 2016.

Informatie
 


Het aandeel minderjarige kinderen in huishoudens met een laag inkomen is in Amsterdam bijna twee keer zo hoog als landelijk. Dit aandeel daalt sinds 2011 sterker dan in de andere grote steden.

Informatie
 


Van alle Amsterdamse minderjarige kinderen groeit 19,2% op in een minimahuishouden. In Zuidoost en Noord is dit percentage hoger dan gemiddeld. Getalsmatig heeft Nieuw-West het grootste aantal kinderen in armoede.

Informatie
 


De gemeente Amsterdam gebruikt als inkomensgrens voor een laag inkomen 120% van het wettelijk sociaal minimum (WSM). Het WSM wordt jaarlijks vastgesteld door de Tweede Kamer en de hoogte van de bijstandsuitkering en de AOW worden daaraan gekoppeld. Dat betekent dat huishoudens die bijstand of uitsluitend AOW ontvangen automatisch tot de groep behoren met een laag inkomen.

De hoogte van het WSM en van de Amsterdamse lage-inkomensgrens vergelijken we hier met het gemiddeld besteedbaar inkomen van Amsterdamse huishoudens (exclusief studentenhuishoudens). De meest recente gegevens hierover zijn van 2016. Om vast te stellen of iemand een laag inkomen heeft wordt naar het inkomen van het huishouden gekeken. De reden hiervoor is dat het toekennen van uitkeringen en de hoogte daarvan afhankelijk is van de samenstelling van het huishouden. Ook het recht op armoedevoorzieningen hangt af van het huishoudinkomen.

Informatie
 


In heel Nederland heeft 14,2% van de huishoudens een inkomen tot 120% van het wettelijk sociaal minimum (WSM). De vier grote steden hebben relatief veel huishoudens met een laag inkomen, vooral Rotterdam en Amsterdam.

Informatie
 


Er zijn grote verschillen tussen stadsdelen in het aandeel minimahuishoudens. In Zuidoost behoort 26% van de huishoudens tot de minima, dat is twee keer zo veel als in Zuid. Getalsmatig heeft West de meeste minimahuishoudens.

Informatie
 


Informatie
 


Het huishoudinkomen is leidend om vast te stellen wie een laag inkomen heeft (zie knop ‘huishouden)’. Personen in huishoudens waarvan het inkomen op of onder de armoedegrens ligt (120% van het wettelijk sociaal minimum) behoren tot de populatie met een laag inkomen. De bedragen die hier staan hebben betrekking op een eenpersoonshuishouden. We vergelijken dit hier met het gemiddeld persoonlijk inkomen van Amsterdammers in 2016.

Informatie
 


De linker figuur laat de instroom zien. Van alle minima in 2016 behoorde 25% het jaar daarvoor nog niet tot de groep minima. Zij vormen de instroom. Daarbij geven we aan wat de hoogte was van hun huishoudinkomen het jaar daarvoor. Verder stromen sommige personen in door geboorte of verhuizing (overige instroom).

Rechts gaat het om de uitstroom: de groep personen die in 2015 minima was, en wat hun situatie is in 2016. Van hen was 25% in 2016 geen minima meer. Daarbij geven we aan wat hun huishoudinkomen is in 2016, behalve voor de personen die uitstromen door overlijden of verhuizing (overige uitstroom).

Informatie
 


Van alle Amsterdammers maakt 15,5% deel uit van een minimahuishouden. Daarin zijn er belangrijke verschillen naar leeftijd. Kinderen, vooral tussen 10 en 14 jaar, groeien relatief vaak op in een minimahuishouden. En van alle 65-plussers leeft 21% in een minimahuishouden. Onder Amsterdammers tussen 25 en 29 jaar is dit percentage het laagst.

Informatie
 


De gemeente Amsterdam gebruikt als inkomensgrens voor een laag inkomen 120% van het wettelijk sociaal minimum (WSM). Het WSM wordt jaarlijks vastgesteld door de Tweede Kamer en de hoogte van de bijstandsuitkering en de AOW worden daaraan gekoppeld. Dat betekent dat huishoudens die bijstand of uitsluitend AOW ontvangen automatisch tot de groep behoren met een laag inkomen.

De hoogte van het WSM en van de Amsterdamse lage-inkomensgrens vergelijken we hier met het gemiddeld besteedbaar inkomen van Amsterdamse huishoudens (exclusief studentenhuishoudens). De meest recente gegevens hierover zijn van 2016. Om vast te stellen of iemand een laag inkomen heeft wordt naar het inkomen van het huishouden gekeken. De reden hiervoor is dat het toekennen van uitkeringen en de hoogte daarvan afhankelijk is van de samenstelling van het huishouden. Ook het recht op armoedevoorzieningen hangt af van het huishoudinkomen.

Informatie
 


In de drie cirkeldiagrammen boven wordt de samenstelling van de groep minimahuishoudens in beeld gebracht. Hieronder gaat het om het percentage minima onder huishoudens met dezelfde inkomstenbron. Er zijn relatief meer minima onder huishoudens die leven van een uitkering of van pensioen vergeleken met het Amsterdamse gemiddelde. Onder huishoudens met een inkomen uit loondienst zijn er relatief het minste minima.

Informatie
 


De gemeente Amsterdam gebruikt als inkomensgrens voor een laag inkomen 120% van het wettelijk sociaal minimum (WSM). Het WSM wordt jaarlijks vastgesteld door de Tweede Kamer en de hoogte van de bijstandsuitkering en de AOW worden daaraan gekoppeld. Dat betekent dat huishoudens die bijstand of uitsluitend AOW ontvangen automatisch tot de groep behoren met een laag inkomen.

De hoogte van het WSM en van de Amsterdamse lage-inkomensgrens vergelijken we hier met het gemiddeld besteedbaar inkomen van Amsterdamse huishoudens (exclusief studentenhuishoudens). De meest recente gegevens hierover zijn van 2016. Om vast te stellen of iemand een laag inkomen heeft wordt naar het inkomen van het huishouden gekeken. De reden hiervoor is dat het toekennen van uitkeringen en de hoogte daarvan afhankelijk is van de samenstelling van het huishouden. Ook het recht op armoedevoorzieningen hangt af van het huishoudinkomen.

Informatie
 


Voor elke regeling is te zien welk percentage van de doelgroep de regeling heeft ontvangen en ook het bereik naar belangrijkste bron van inkomen. Dit wordt zichtbaar wanneer geklikt wordt op de betreffende minimaregeling. Ook verschijnt de kaart met het bereik naar wijk.